Aandachtspunten bij de redactie van een niet-concurrentiebeding

Voor een onderneming is het vaak essentieel om een concurrentieverbod te bedingen ten laste van een medecontractant. Niet-concurrentiebedingen worden dan ook steeds vaker in contracten opgenomen.

Bij de redactie van een niet-concurrentiebeding dient u enkele aandachtspunten in het achterhoofd te houden.

Vooreerst mag het algemeen principe van de vrijheid van ondernemen niet uit het oog verloren worden (Decreet d’Allarde van 2-17 maart 1791 en artikel II.3 en II.4 van het Wetboek Economisch Recht). Dit principe, dat zich verzet tegen een ongeoorloofde beperking van de vrijheid van handel en nijverheid, is namelijk van openbare orde. Het is dus van belang dat een niet-concurrentiebeding er nooit toe leidt dat de ondernemingsvrijheid van één van de contractspartijen fundamenteel wordt aangetast.

Om geldig te zijn moet een niet-concurrentiebeding beperkt zijn in (i) tijd, (ii) ruimte en (iii) geviseerde activiteiten. De contractspartij in wiens voordeel het niet-concurrentiebeding is opgesteld moet daarenboven een voldoende en rechtmatig belang hebben bij de beperking van de vrijheid die wordt opgelegd.

De toelaatbare grenzen van een niet-concurrentiebeding zijn in sommige wetgeving uitdrukkelijk bepaald, zo bijvoorbeeld in het arbeidsrecht, doch voor de meeste overeenkomsten is dit niet het geval. Voor die laatste overeenkomsten is dus niet wettelijk gedefinieerd hoe ver men kan gaan met het beperken van de concurrentie. Een gematigde houding bij de redactie van een niet-concurrentiebeding is dan ook aan te raden.

Het al dan niet redelijk karakter van de beperkingen in een niet-concurrentiebeding zal steeds moeten beoordeeld worden vanuit de concrete feitelijke situatie, waarbij de rechter zal oordelen of de beperkingen al dan niet redelijk zijn.

Tot voor kort kon de rechter bij zijn beoordeling ofwel het niet-concurrentiebeding in zijn geheel geldig of ongeldig/nietig verklaren.

Het Hof van Cassatie heeft evenwel in een derde optie voorzien met haar arrest van 23 januari 2015, de partiële nietigheid:

“Indien een overeenkomst of een beding strijdig is met een bepaling van openbare orde en bijgevolg nietig is, kan de rechter indien een partiële nietigheid mogelijk is, de nietigheid, behoudens de wet zulks verbiedt, beperken tot het met deze bepaling strijdig gedeelte van de overeenkomst of beding op voorwaarde dat het voortbestaan van de gedeeltelijk vernietigde overeenkomst of beding beantwoordt aan de partijbedoeling.”

Willen contractspartijen de integrale nietigheid van het niet-concurrentiebeding vermijden dan moeten zij uitdrukkelijk in hun contracten een matigingsclausule voorzien.

Uit de matigingsclausule dient het volgende te blijken: “bepalingen die door nietigheid aangetast of ongeldig zouden zijn, blijven bindend voor het gedeelte ervan dat wettelijk toegelaten is”.

Naast de gekende traditionele aandachtspunten bij de redactie van een niet-concurrentiebeding, met name de beperking van het beding in de tijd, ruimte en qua geviseerde activiteiten, kan het zinvol zijn tevens te voorzien in een matigingsclausule die de rechter toelaat om het niet-concurrentiebeding te matigen voor het gedeelte dat niet wettelijk toegelaten is.

Katrien VAN DE SIJPE