Art 101 VWEU levert geen vermoeden van schade op voor derden

Het is aan ondernemingen verboden om overeenkomsten te sluiten of onderling hun gedrag af te stemmen wanneer dit de mededinging verstoort. Het algemeen gangbare kartelverbod wordt door de mededingingsautoriteiten nauwgezet opgevolgd. Bij inbreuken kunnen zij overgaan tot het opleggen van een boete. Overeenkomsten die een inbreuk maken op het kartelverbod zijn van rechtswege nietig. 

Hoewel deze regeling tot doel heeft het de normale werking van de markt te garanderen, is het niet ondenkbaar dat ook derden hier schade door lijden. Een vordering tot het verhalen van deze schade dient voor de nationale rechter gebracht te worden, wat in het verleden op stevige kritiek kon rekenen. De uitkomst kan immers sterk afhankelijk zijn van het nationale rechtsstelsel. In België wordt dergelijke vordering doorgaans gestoeld op art. 1382 van het Burgerlijk Wetboek en kan door eenieder die schade heeft geleden door de mededingrechtelijke inbreuk, worden ingesteld. Hierbij denken we in eerste instantie aan benadeelde concurrenten of consumenten.

In een vonnis van 24 april 2015 bevestigde de Rechtbank van Koophandel te Brussel dat uit het schenden van art. 101 VWEU geen vermoeden van schade kan worden afgeleid. De eisende partij had haar vordering gestoeld op art. 1382 van het Burgerlijk Wetboek, waarbij zij inzake zowel fout, schade als causaal verband dient aan te tonen. Zij stelde dat de prijsstijgingen die een onderneming had opgelegd, rechtstreeks voortvloeiden uit  de ongeoorloofde afspraken tussen ondernemingen.

De rechter wees de vordering af omdat de eisende partijen onvoldoende konden aantonen dat er een verband stond tussen de afspraken gemaakt door partijen en het aanrekenen van hogere prijzen. Ook de beschikking van de Commissie leverde volgens de rechter onvoldoende bewijs.

Het is altijd aan de rechter om in concreto te oordelen of de drie grondvoorwaarden voor een vordering van art. 1382 BW bewezen zijn. Hoewel vaste rechtspraak aantoont dat een beschikking van de Europese Commissie de bewijslast van partijen doorgaans op substantiële wijze vergemakkelijkt (zie ook: VAN DEN BOSSCHE, A., De privaatrechtelijke 
handhaving van artikel 101 en 102 VWEU), gaat de rechter niet zover als een vermoeden uit te spreken tussen enerzijds de foutieve handeling (het maken van ongeoorloofde afspraken) en prijsverhogingen die een onderneming heeft doorgevoerd. Hoewel zij zich wel kunnen steunen op dergelijke beschikking, zullen zij nog altijd concrete elementen moeten kunnen aandragen.

Nathan DECLERCK