De invloed van de nieuwe Pandwet op de bouwsector: het eigendomsvoorbehoud voor aannemingsovereenkomsten sinds 1 januari 2018

Beding van eigendomsvoorbehoud

Volgens artikel 1583 van het Burgerlijk Wetboek is er eigendomsoverdracht van zodra de koper en de verkoper een wilsovereenstemming hebben bereikt over de zaak en de prijs, ook al is er nog tot geen enkele betaling, noch levering overgegaan.

Koper en verkoper kunnen hier enigszins van afwijken door bijvoorbeeld te beslissen dat er bij de koop-verkoop van roerende goederen slechts sprake zal zijn van eigendomsoverdracht als de volledige prijs betaald wordt. Dit is wat begrepen wordt onder een beding van eigendomsvoorbehoud. Het nut van dit beding schuilt in het feit dat, als de koper insolvabel zou worden ten gevolge van bijvoorbeeld een faillissement, de verkoper het goed nog kan terugeisen aangezien het nog steeds zijn eigendom is.

Eigendomsvoorbehoud & de bouwsector vóór 1 januari 2018

Het beding van eigendomsvoorbehoud werd tot voor kort enkel geregeld door artikel 101 van de Faillissementswet. Hiermee werd het toepassingsgebied van het beding beperkt tot faillissementsgevallen, en enkel wanneer het goed zich nog in natura bij de koper bevond. Het goed mocht bijgevolg niet onroerend geworden zijn door incorporatie met een onroerend goed of niet vermengd zijn met een ander roerend goed.

Deze beperking van toepassingsgebied maakte het gebruik van een beding van eigendomsvoorbehoud in de bouwsector haast onmogelijk. Bij het leveren van roerende goederen in het kader van aannemingsovereenkomsten gaat de eigendom van de roerende materialen van de aannemer immers slechts over bij incorporatie (lees: plaatsing, installatie enz.) in het bouwwerk of de grond. En dit is net wat uit het toepassingsgebied van art. 101 Faillissementswet viel.

Eigendomsvoorbehoud & de bouwsector vanaf 1 januari 2018

Met de inwerkingtreding van de Wet van 11 juli 2013 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de zakelijke zekerheden op roerende goederen betreft en tot opheffing van diverse bepalingen ter zake (hierna: de nieuwe Pandwet) op 1 januari 2018, werden de strikte voorwaarden uit de faillissementswetgeving weggewerkt. Een herboren Boek III, Titel XVII “Zakelijke zekerheden op roerende goederen” van het Burgerlijk Wetboek zag het levenslicht.

De nieuwe regeling maakt het gebruik van een beding van eigendomsvoorbehoud in aannemingsovereenkomsten mogelijk, en stelt dat het eigendomsvoorbehoud blijft gelden bij vermenging met een ander roerend goed. Daarnaast maakt de nieuwe Pandwet het mogelijk om een eigendomsvoorbehoud te laten registreren in het nieuw ingevoerde pandregister. In dit geval blijft het eigendomsvoorbehoud ook na incorporatie in een onroerend goed bestaan.

Dit impliceert dat de aannemer die na incorporatie van zijn roerende materialen in het gebouw of de grond, eigenaar wil blijven van zijn materialen tot deze volledig betaald zijn, voortaan zijn beding van eigendomsvoorbehoud in het Pandregister kan registreren. Als de opdrachtgever naderhand insolvabel blijkt te zijn, kan de aannemer het beding van eigendomsvoorbehoud inroepen en het aandeel van zijn reeds geïncorporeerde roerende goederen gaan uitwinnen op het volledige onroerend goed.

Conclusie

Met de inwerkingtreding van de nieuwe Pandwet op 1 januari 2018 is het belang van een eigendomsvoorbehoud duidelijk opgekrikt. De risico’s dat een eigendomsvoorbehoud teniet gaat zijn veel kleiner geworden, vooral indien er een registratie in het pandregister geschiedt. Het beding van eigendomsvoorbehoud is een volwaardig en effectief zekerheidsmechanisme in de bouwsector geworden en een must-have in de algemene voorwaarden van elke leverancier en aannemer.

 Tuur LATRE