De rechtstreekse vordering kan worden toegepast in de keten van onderaannemers

Art. 1798 BW bepaalt dat metselaars, timmerlieden, arbeiders, vaklui en onderaannemers gebezigd bij het oprichten van een gebouw of voor andere werken die bij aanneming zijn uitgevoerd, tegen de bouwheer een rechtstreekse vordering hebben ten belope van hetgeen deze aan de aannemer verschuldigd is op het ogenblik dat hun rechtsvordering wordt ingesteld.

In principe kan men enkel de persoon met wie men een contract heeft gesloten aanspreken tot betaling. De hoofdaannemer zou dan enkel de bouwheer kunnen aanspreken en de onderaannemer enkel de hoofdaannemer. 

De rechtstreekse vordering bedoeld in artikel 1798 BW is hierop een uitzondering. Hiermee kan een onderaannemer nl. rechtstreeks de bouwheer aanspreken tot betaling van zijn achterstallige factuur. Dit kan natuurlijk maar binnen de perken van hetgeen de bouwheer zelf verschuldigd is aan de hoofdaannemer. Volgens artikel 1798 BW geldt de rechtstreekse vordering niet enkel voor de onderaannemer ten aanzien van de bouwheer, maar ook voor de onderaannemer in de tweede graad ten aanzien van de hoofdaannemer. 

Op 2 februari 2012 oordeelde het Grondwettelijk Hof echter dat artikel 1798 BW het gelijkheidsbeginsel zou schenden als dit artikel zo wordt geïnterpreteerd. Dit was nochtans traditioneel de interpretatie die de rechtsleer en rechtspraak gaf aan artikel 1798 BW. Het arrest van het Grondwettelijk Hof kent de rechtstreekse vordering toe aan elke onderaannemer, waar hij zich ook bevindt in de keten van onderaanneming. 

Stijn Decloedt