Gebruik van uitgegraven bodem en het afvalstoffenbegrip

1. In een uitspraak van 2 september 2014 (TMR, februari 2015, p.52) bevestigt de correctionele rechtbank Oost – Vlaanderen, afdeling Gent, dat verontreinigde bodem die niet wordt gebruikt conform de voorwaarden van het Bodemdecreet inzake het gebruik van uitgegraven bodem moet worden beschouwd als een afvalstof in de zin van het Materialendecreet. Een afvalstof in voormelde zin is elke stof of elk voorwerp waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen.
2. De feiten werden vastgesteld op drie weiden gelegen in landbouwgebied binnen de grenzen van een Gemeentelijk Natuurontwikkelingsplan. Op twee van de drie weiden was aarde opgevoerd en een afwateringsgracht die functioneerde als scheidingsgrens tussen de twee weiden werd met dezelfde aangevoerde aarde gedempt. Voor het dempen van de gracht werd door de gemeente een stedenbouwkundige regularisatievergunning afgeleverd. 
Monsternames toonden aan dat de aangevoerde aarde een te hoog gehalte aan verontreinigde stoffen bevatte, waardoor de aarde niet voldeed aan de voorwaarden uit het Bodemdecreet inzake het vrij gebruik van uitgegraven bodem. 
Uitgegraven bodem kan bijvoorbeeld slechts worden gebruikt onder de specifieke voorwaarde dat het gehalte aan stenen die niet van nature in de bodem aanwezig zijn maximaal 5 massaprocent bedragen en niet groter zijn dan vijf millimeter en dat het gehalte aan andere bodemvreemde materialen maximaal 1 massa – en volumeprocent bedraagt. De rechtbank stelt op basis van foto’s in het dossier vast dat er in de uitgegraven bodem een grote hoeveelheid grotere stenen aanwezig waren, waardoor niet aan voormelde voorwaarde voor het vrij gebruik was voldaan. Bovendien hadden de beklaagden ook niet de verplichte procedure gevolgd die is bedoeld om de herkomst van de gebruikte bodem te traceren. 
Het Materialendecreet bepaalt dat uitgegraven bodem niet wordt beschouwd als afvalstof indien de uitgegraven bodem wordt gebruikt conform de voorwaarden uit het Bodemdecreet. Gezien in dit geval niet was voldaan aan deze voorwaarden beschouwde de correctionele rechter de uitgegraven bodem als afvalstof. Het strafbaar karakter zit vervolgens in het feit dat het ophogen van weiden en het dempen van een afwateringsgracht met dergelijke bodem strijdig is met het verbod op het achterlaten van afvalstoffen. 
De veroordeling impliceert daarenboven op basis van het Decreet Algemene Bepalingen Milieubeleid ook dat de aangevoerde bodem die wordt beschouwd als afvalstof opnieuw wordt afgegraven en verwijderd, mits naleving van de toepasselijke regelgeving.
3. In de rand stelt de rechter nog dat ook al werd een regularisatievergunning voor het dempen van de afwateringsgracht afgeleverd, het dempen sowieso niet had mogen gebeuren met bodem die wordt beschouwd als afvalstof. Bovendien bleek de regularisatievergunning onwettig omdat deze werd afgeleverd zonder verplicht voorafgaandelijk advies van het Agentschap Natuur en Bos en met miskenning van de natuurzorgplicht gezien het verdwijnen van de waterafhankelijke natuur als gevolg van het dempen van de afwateringsgracht.

Wouter DECLERCK