Het nieuwe Vlaamse Onteigeningsdecreet van 24 februari 2017: een betere rechtsbescherming?

Sinds 1 januari 2018 is het nieuwe Vlaams Onteigeningsdecreet van 24 februari 2017, samen met het Onteigeningsuitvoeringsbesluit van 27 oktober 2017, in werking getreden. Het nieuwe decreet vervangt de federale onteigeningswetten, waarvan sommige reeds uit de vroege 19e eeuw afkomstig waren. Deze wetten zullen, binnen het grondgebied van het Vlaams Gewest, enkel nog van toepassing zijn op onteigeningen door de federale overheid zelf of door de federale overheid gemachtigde instellingen die op federale bevoegdheden betrekking hebben.

De doelstelling van de nieuwe regeling is het invoeren van een eenvormige, snelle en efficiënte procedure zowel in het belang van de overheid (projecten realiseren van algemeen belang) als dat van de burger (zekerheid over rechtspositie en optimale rechtsbescherming). 

Met het oog op het realiseren van een betere rechtsbescherming bevat de regeling een aantal belangrijke nieuwigheden. Zo krijgt de noodzakelijkheidsvereiste een decretale basis: de onteigeningsnoodzaak moet cumulatief betrekking hebben op het doel, het middel en het voorwerp van de onteigening (art. 3), wordt het verplicht om bij het onteigeningsplan een “projectnota” te voegen, waaruit (o.m.) de doelstelling van algemeen nut dient te blijken (art. 10 en 12), is er sprake van een voorafgaande “onderhandelingsplicht”, waarbij de onteigende instantie een ernstig schriftelijk aanbod moet doen aan wie zij wenst te onteigenen (art. 15-16), dient steeds een openbaar onderzoek te worden georganiseerd over het voorlopig onteigeningsbesluit (art. 17 t.e.m. 23) en biedt de regeling een veralgemeende en gestroomlijnde mogelijkheid om het betrokken project zelf te realiseren, waartoe het initiatief tijdens het openbaar onderzoek dient te worden genomen. Zelfrealisatie is hierbij nog steeds geen recht. Wel zal de onteigende instantie het zelfrealisatieverzoek niet zomaar kunnen afwijzen, en zal zij op gemotiveerde wijze dienen te beslissen om niet op het verzoek in te gaan na toetsing aan de hiertoe geformuleerde voorwaarden (art. 24 t.e.m. 27).

Tenslotte zouden in het algemeen de bestuurlijke en gerechtelijke fase beter op elkaar zijn afgestemd, en zou voortaan sneller (binnen max. 3 maand) door de vrederechter worden beslist over de wettigheid van de onteigening (art. 48 e.v.). Het bevoegde bestuursrechtscollege, waarbij het definitief onteigeningsbesluit kan worden aangevochten is vanaf heden de Raad voor Vergunningsbetwistingen (art. 43-44). 

Aline HEYRMAN