Het principe van uitvoerbaarheid bij voorraad na wetswijziging van 19 oktober 2015

  1. Wetswijziging van 19 oktober 2015

Voorheen stelden artikel 1397 en 1398 van het Gerechtelijk Wetboek de niet-uitvoerbaarheid van vonnissen in eerste aanleg voorop. De rechter kon hiervan  – ambtshalve dan wel op verzoek van een van de partijen –afwijken en de voorlopige tenuitvoerlegging van een vonnis toestaan. Het instellen van verzet en hoger beroep (de gewone rechtsmiddelen) schorsten de mogelijkheid tot voorlopige tenuitvoerlegging.

De Potpourri-wetgeving dd. 19 oktober 2015 heeft de inperking van de gerechtelijke achterstand tot doel. Het gewijzigd artikel 1397 van het Gerechtelijk Wetboek stelt nu de principiële uitvoerbaarheid van een vonnis voorop:

"Behoudens de uitzonderingen die de wet bepaalt of tenzij de rechter bij met bijzondere redenen omklede beslissing anders beveelt en onverminderd artikel 1414, schorst verzet tegen eindvonnissen daarvan de tenuitvoerlegging.

Behoudens de uitzonderingen die de wet bepaalt of tenzij de rechter bij met bijzondere redenen omklede beslissing anders beveelt, onverminderd artikel 1414, zijn de eindvonnissen uitvoerbaar bij voorraad, zulks niettegenstaande hoger beroep en zonder zekerheidsstelling indien de rechter deze niet heeft bevolen.

Hoger beroep schorst aldus de tenuitvoerlegging in principe niet meer. Een partij kan een vonnis laten uitvoeren zolang de uitspraak niet door de appelrechter werd hervormd. Verzet blijft daarentegen zijn schorsende werking behouden, tenzij de rechter met bijzondere motivering toch de tenuitvoerlegging beveelt.

De voorlopige tenuitvoerlegging gebeurt nog steeds op risico van partij die daartoe opdracht geeft. Het gaat nog steeds om een precaire titel, waarbij de uitvoerende partij objectief aansprakelijk is in geval van voorbarige tenuitvoerlegging. Deze zal dan gehouden zijn tot restitutie met inbegrip van de daarop verschuldigde interest.

  1. Toepassing in de tijd

De wijzigingen van artikel 1397 en 1398 van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing op zaken die aanhangig worden gemaakt vanaf 1 november 2015. Voor zaken die eerder aanhangig werden gemaakt, zijn de wetsartikelen die golden voor de wetswijziging van 19 oktober 2015 nog steeds van toepassing.

  1. Afwijken van het principe van uitvoerbaarheid bij voorraad

De rechter kan omwille van bijzondere redenen afwijken van de principiële uitvoerbaarheid. Dit moet door een partij worden gevorderd. De rechter neemt hierbij de risico’s die de schuldeiser loopt door het verdere tijdsverloop en de kans op succes van een eventueel rechtsmiddel in overweging.[1] De rechter zal dit echter niet snel doen – het zou de indruk kunnen wekken dat de rechter twijfelt aan zijn eigen uitspraak.[2] De appelrechter kan de voorlopige tenuitvoerlegging overigens niet verbieden of schorsen (tenzij het gaat om een klaarblijkelijke onwettigheid van procesrechtelijke aard).[3]

De rechter kan de uitvoerbaarheid bij voorraad oftewel ambtshalve, oftewel op verzoek van de partijen, afhankelijk stellen van een zekerheidsstelling. Dit zal gebeuren wanneer de insolvabiliteit van de schuldeiser dreigt en deze bij een hervorming van de beslissing in hoger beroep vermoedelijk niet meer tot restitutie in staat zal zijn.

In geen geval zal er afgeweken worden van de principiële uitvoerbaarheid bij voorraad wanneer een vertraagde uitvoering ernstig nadeel zou kunnen toebrengen aan de schuldeiser, zoals de dreigende insolvabiliteit van de schuldenaar.


 

[1] K. Broeckx, voorlopige tenuitvoerlegging en kantonnement na uitvoerend beslag, Meesters van het proces. Topics gerechtelijk recht, p. 149.

[2] P. Senaeve, de voorlopige tenuitvoerlegging van vonnissen in materies van familierecht na de wet van 19 oktober 2015, T. Fam. 2015, p. 245.

[3] Art. 1402 Ger. W.

Nathan DECLERCK