Ter beschikkingstelling van werknemers en de strijd tegen sociale fraude.

Recent werd via de programmawet van 27 december 2012 het gebruik van ter beschikking gestelde werknemers verstrengd door te voorzien in een striktere toepassing van het verbod van overdracht van werkgeversgezag. Om dit te verwezenlijken voorziet de wet in enkele extra voorwaarden die erop moeten toezien dat het werkgeversgezag bij de werkgever blijft ten einde sociale fraude bij terbeschikkingstelling tegen te gaan.

Artikel 31, § 1, eerste lid van de Wet Terbeschikkingstelling voorziet in een principieel verbod op de ter beschikkingstelling van werknemers. 

Ondanks dit verbod was het voor bepaalde bedrijven toch mogelijk om onder bepaalde voorwaarden een beroep te doen op externe dienstverleners en om die hun werknemers bepaalde richtlijnen te geven. 

De Programmawet van 27 december 2012 wil verduidelijken wat voor de wetgever verboden en toegelaten terbeschikkingstelling is. De wet legt bovendien nieuwe voorwaarden op aan de toegelaten terbeschikkingstelling.
Zo zet de wet uiteen hoe een derde-gebruiker instructies kan geven aan een door een externe werkgever ter beschikkingsgestelde werknemer. Zo moeten de instructies schriftelijk, uitdrukkelijk en gedetailleerd in de overeenkomst worden omschreven. Die instructies mogen bovendien het werkgeversgezag niet uithollen. 

De feitelijke uitvoering van de overeenkomst tussen de derde en de werkgever moet dan ook volledig overeenstemmen met de uitdrukkelijke bepalingen van de geschreven overeenkomst. 

Het sluiten van een geldige overeenkomst tussen werkgever en derde-gebruiker overeenkomstig voornoemde voorwaarden is echter niet voldoende. De derde-gebruiker dient daarnaast zijn ondernemingsraad onverwijld in te lichten over deze overeenkomst en de specifieke instructies die kunnen worden gegeven. 

Wanneer niet wordt voldaan aan de in de wet opgesomde vereisten zal het geven van instructies aan de werknemer door de gebruiker worden beschouwd als de uitoefening van een gedeelte van het werkgeversgezag. Dit brengt dan een verboden ter beschikkingstelling van werknemers met zich mee. Zodoende zullen de derde-gebruiker en die werknemers worden beschouwd als zijnde verbonden door een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd vanaf het begin der uitvoering van de arbeid. De werkgever en derde-gebruiker zullen hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld voor de betaling van de sociale bijdragen, lonen, vergoedingen en voordelen die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst van de werknemer. Dit benadrukt nogmaals hoe cruciaal de afwezigheid van enig werkgeversgezag is voor het instructierecht van de opdrachtgever.

Yannic De Win