Wijzigingen in het Bodemdecreet van 27 oktober 2006

1.
Op 4 september jl. werd het decreet van 28 maart 2014 tot wijziging van diverse bepalingen van het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. 

Een aantal wijzigingen worden in deze bijdrage verder toegelicht.

2.
Met een eerste wijziging wordt de regeling met betrekking tot de overdracht van risicogronden aangepast. 

In het huidige Bodemdecreet wordt de bijzondere overdrachtsprocedure voor risicogronden op gang gebracht door de melding van de overdracht aan de OVAM. De melding gebeurt op basis van een standaardformulier met als bijlage het verslag van het oriënterend bodemonderzoek. De doelstelling van de melding is een efficiënte controle op de naleving van de bodemonderzoeksplicht mogelijk te maken. Uit de praktijk blijkt echter dat de meerwaarde van deze controle niet in verhouding staat tot de daarmee gepaard gaande administratieve kost voor de overdrager. De verplichte melding van de overdracht wordt in de nieuwe regeling opgeheven. 

De overdrager moet wel nog steeds voorafgaand aan de overdracht van de risicogrond een oriënterend bodemonderzoek uitvoeren en het verslag hiervan overmaken aan de OVAM. Dit wordt in voorkomend geval gevolgd door een beschrijvend bodemonderzoek, het opstellen van een bodemsaneringsproject en het stellen van de nodige garanties tot uitvoering van de bodemsanering. 

3.
In een tweede wijziging wordt een mogelijkheid voorzien tot opdeling van de saneringsplicht in het geval van een overdracht van een risicogrond. 

Met het wijzigingsdecreet wordt de vrijstelling van de saneringsplicht in de algemene plichtregeling aangepast in die zin dat expliciet wordt voorzien in de mogelijkheid om voor een deel van de bodemverontreiniging vrijstelling van saneringsplicht te bekomen. Deze mogelijkheid wordt met de wijzigingsbepaling nu ook doorgetrokken naar de vrijstellingsregeling in het kader van risicogronden. 

De saneringsplicht wordt ook niet langer gevestigd door de OVAM via een aanmaning, maar volgt rechtstreeks uit het Bodemdecreet zelf. 

4.
Een tweede wijziging voegt een specifieke regeling over vermengde bodemverontreiniging toe aan het Bodemdecreet. Hieronder kunnen twee zaken worden begrepen. 

Het gaat ofwel over de bodemverontreiniging waarvoor verschillende saneringsplichtigen werden aangewezen en waarbij niet exact kan bepaald worden voor welk deel van de bodemverontreiniging elke plichtige saneringsplichtig is. 

Ofwel over bodemverontreiniging waarbij het voorgaande wel kan worden bepaald, maar het niet mogelijk is om door het gebruik van best beschikbare technieken die geen overmatig hoge kosten met zich meebrengen (BATNEEC), voor elk deel van de bodemverontreiniging een afzonderlijk beschrijvend bodemonderzoek of een afzonderlijke bodemsanering uit te voeren. 

In dergelijk geval dienen de betrokkenen samen te werken om hun saneringsplicht op een doelmatige wijze uit te voeren. Als de saneringsplichtigen er binnen een redelijke termijn niet in slagen om op basis van samenwerking hun saneringsplicht uit te voeren, kan de OVAM in een gemotiveerde beslissing de verontreiniging als een vermengde bodemverontreiniging kwalificeren. 

De OVAM omschrijft de bodemverontreiniging en vermeldt de grond of gronden waar de vermengde bodemverontreiniging tot stand is gekomen. Een vermengde bodemverontreiniging kan nieuwe, historische of gemengde bodemverontreiniging betreffen. De bepalingen uit het Bodemdecreet die gelden voor deze verontreinigingen blijven van toepassing, met uitzondering van de bepalingen die betrekking hebben op de financiering van het beschrijvend bodemonderzoek en de bodemsanering, en op de vrijstelling van de saneringsplicht. 

De kwalificatie van een verontreiniging als vermengde verontreiniging heeft van rechtswege tot gevolg dat de betrokken saneringsplichtigen de verplichting hebben om de vermengde bodemverontreiniging gezamenlijk aan te pakken. Is één of meerdere van de saneringsplichtigen personen vrijgesteld dan zal de OVAM de vermengde bodemverontreiniging gezamenlijk met de andere plichtigen van de gemengde bodemverontreiniging aanpakken.

De betrokken saneringsplichtige personen kunnen in overleg beslissen om de regie van de bodemsanering van de vermegnde bodemverontreiniging in handen leggen van één van hen die de sanering uitvoert op kosten van alle saneringsplichtigen op basis van een verdeelsleutel. 

Op verzoek en mits akkoord van alle betrokkenen kan de OVAM overgaan tot uitvoering van de sanering. Dit gebeurt op kosten van de betrokken plichtige personen op basis van de vastgestelde verdeelsleutel.

4.
Deze wijzigingen treden in werking op 1 januari 2015.